Wijkhistorie: Kralingen Oost

Het gebied dat tegenwoordig bekend staat als Kralingen is een deel van het oude Ambacht Kralingen tussen de A16, de Boezemsingel, de Maas en het Kralingsebos. Kralingen valt in hoofdlijnen uiteen in twee delen: Kralingen-Oost wat ruim opgezet is met veel groen, van oudsher een woongebied voor welgestelden en Kralingen-West wat meer het karakter heeft van een volkswijk. Hoge dichtheid met veel boven- en benedenwoningen. Het zuidwestelijke deel van Kralingen-West is ernstig beschadigd tijdens het bombardement van mei 1940. De Gerdesiaweg is pas na de oorlog ontstaan.

slot honingen

slot honingen


Ontstaansgeschiedenis
Het oorspronkelijke dorp Kralingen is zo goed als compleet verdwenen. Ten noorden van het Kralingsebos in Prinsenland bevindt zich nog de begraafplaats Oud Kralingen die ooit bij de dorpskerk lag. Het toenmalige dorp is ten prooi gevallen aan de turfwinning. Het gebied dat we nu kennen als Kralingen is de tweede nederzetting in het Ambacht Kralingen. Deze is ontstaan rond het oude slot Honingen.
De kruising van de oprijlaan van het slot Honingen met de oude dijk die bekend staat als de viersprong. Dit is de huidige kruising Hoflaan, Korte Kade, ’s Gravenweg Oude Dijk. Al in de 18e eeuw wordt dit een belangrijke tweede kern.

Het slot Honingen wordt in 1244 in elk geval bewoond door de heren Hugo van Cralinghen. In de 80 jarige oorlog sneuvelt het gebouw. In 1668 koopt de stad Rotterdam de ambachtsheerlijkheid Kralingen met daaraan verbonden ruïne van het slot om dit in 1677 met de grond gelijk te maken.
De grond van het oude slot Honingen wordt door de gemeente verhuurd. Hier werden (zomer)huizen gebouwd met siertuinen en wandelpaden. In 1868 liepen de huurcontracten af en besloot de gemeente het gebied te herontwikkelen en er een villapark  en openbare wandelplaats te realiseren.
Bij de verkoop wordt vastgesteld dat op de grond ”nimmer eenig ande bestemming zal mogen krijgen dan die van grote en kleine buitenverblijven, of huizen voor den fatsoenlijke stand met tuinen”

Vanaf eind 17e eeuw hebben veel Rotterdammers bezit in het ambacht  Kralingen. In eerste instantie zijn dit boerderijen met speciale vertrekken voor de verhuurder. Later bouwen vele welgestelde Rotterdammers riante  buitenplaatsen in Kralingen om de de stad, die geteisterd wordt door stank en ziektes, te ontvluchten. Bekende voorbeelden waren Rozenburg, Merula, Vredenhof, Lusthoff, Trompenburg, Jericho en Woudestein. Deze buitenplaatsen waren niet alleen zomerverblijven voor welgestelden, maar waren ook belangrijk voor de voedselvoorziening en zorgden zo dus ook voor een behoorlijke werkgelegenheid.
In het begin van de 18e eeuw trekken veel bewoners uit het dorp naar de viersprong omdat er in het oorspronkelijke dorp door de veen afgraving geen middelen van bestaan meer zijn. Ook de voorzieningen trekken weg. De katholieke kerk, de school, het ambachtshuis en ten slotte wordt in 1842 de nieuwe kerk aan de Hoflaan opgeleverd ter vervanging van de oude dorpskerk. Eind 18e eeuw komt er ook steeds meer industrie naar Kralingen: branderijen, lakmoesmakers, snuifmolens, houtzaagmolens, loodwit-makerijen, glasblazers, touwslagerijen en een grote katoendrukkerij.

In 1870 wordt een groot deel van de veenplassen droog gelegd om overstromingen te voorkomen. Één plas wordt niet droog gelegd: de Noordplas. In 1911 worrdt de Noordplas en omgeving door de gemeente in gebruikgenomen als openbaar park waarmee de basis is gelegd voor het huidige Kralingse Bos en de Kralingse Plas

In de tweede helft van de 19e eeuw worden steeds meer buitens opgeofferd aan de stadsuitbreiding van Rotterdam, In het derde kwart van 19e eeuw worden er in het westelijke deel van Kralingen dat direct grenst aan Rotterdam goedkope arbeiderswoningen gebouwd waar geen ruimte meer voor was in de stad. Met name de kwaliteit van de sanitaire voorzieningen bleek een hardnekkig probleem. Kralingen was te klein en niet kapitaalkrachtig genoeg om de doorspuiïng van de sloten zelf te regelen. De gemeente Rotterdam had ernstig behoefte aan mogelijkheden om de groeiende bevolking te huisvesten. Na de annexatie in 1895 zet deze ontwikkeling zich door: aan de westkant van Kralingen worden kleine arbeiderwoningen gebouwd terwijl oost zich ontwikkeld tot woongebied voor de welgestelde Rotterdammer.

In de jaren 20/30 is er ten oosten van het Huis Vredenoord (waar zich nu de Kuyls Fundatie bevindt) een uitbreiding gerealiseerd door een aantal architecten uit de Delftse School. Na de tweede wereldoorlog is aan de oostzijde van de Burgemeester Oudlaan nog een woonwijk gerealiseerd. Eind jaren zestig heeft de Nederlandse Economische Hogeschool een nieuw gebouw gerealiseerd op het terrein van de voormalige volkstuinen; Woudestein, nu een onderdeel van de EUR. GJvL

___
literatuur:
Kralingen 150 jaar Hoflaankerk, onder redactie van HW Blom (Uitgave J. Amesz 1992)
De Rozenhof, Claudia Kramer (uitgave Volkskracht 1998)
Kralingen en ’s Gravenweg,  J. Verheul (1932)